Ben je boos, pluk een roos. Zelden kom je een bundel tegen die meteen de juiste snaar weet raken. Maurits Verhoef schreef dé bundel van 2021, en treedt daarmee in de voetsporen van De Grote Begrijpelijken als Lars van der Werf en Grootmeester van het genre Ingmar Heytze. Want ook Avro’s Toppopdichter Ingmar Heytze wordt natuurlijk een dagje ouder, en al vijftig jaar de best verkochte bundels van Nederland hebben en elk jaar een nieuwe verzamelaar uitbrengen, de Twintig van Heytze, de Veertig van Heytze, de Honderd van Heytze – het gaat je allemaal niet in de koude kleren zitten. Juist daarom is het des te fijner dat er een nieuwe generatie dichters opstaat die het net even wat beter doen dan hun voorgangers, de verbeterde versies.

 

Wat allereerst opvalt aan de bundel is dat (heel gewaagd) Utrecht er compleet in weet ontbreken. Wie denkt dat Maurits Verhoef daar toch een flinke steek laat vallen ziet het verkeerd: deze dichter kan het zich kan veroorloven stadsmarketing gewoon links te laten liggen. Bovendien woont hij niet in Utrecht, maar dat is een detail.

 

Zonnestralen kussen
De zachte aarde
Waar de stoeptegels
Nog bedekt zijn
Door de ochtenddauw
Ik ben verliefd
In vrede
Met lichte kater
Begint de dag mooi
(‘Zondagmorgen’)

Of hij zich daarmee niet het gramschap van Heytze op de hals haalt is de prangende vraag. In mijn tijd was het aanprijzen van debuten nog de voornaamste literaire strategie van de meester, ook mijn debuut prees hij de hemel in, toen ik vervolgens echter bij hem aanbelde om te controleren of hij de bundel ook echt in bezit had schrok hij daarvan, en de eerlijkheid gebied me de waarheid te zeggen: hij had mijn bundel daadwerkelijk in de kast staan. Maar in de tien boeken die ik erna schreef had hij ondanks het gejubel over mijn debuut terecht geen interesse. En dat zal heus niet alleen maar zijn omdat Utrecht erin ontbreekt, die suggestie zou ik niet durven wekken.

 

Wetenschappers zijn twee zaken op het spoor. Ten eerste lijkt het menselijke IQ enorm in de lift te zitten, en is er zelfs de laatste decennia een schrikbarende IQ stijging gaande van liefst 10 punten, of iets dergelijks. Dat is in een wereld met complexe problemen die opgelost moeten worden wel zo prettig. Ik durf best de stelling aan dat je deze IQ stijging precies in de dichtkunst het beste kunt waarnemen. Alleen al daarom zou zo goed als elke wetenschapper de dichtkunst moeten omarmen: je ziet er beter dan waar dan ook dat de mens als wezen bezig is stevig te pieken.

Anderzijds heb je de epidemioloog Swanna Swan, die in the Guardian al een paar keer laat weten dat over 25 jaar de mannelijke spermacount op nul gaat staan, en het menselijk ras dus binnen een generatie volkomen uit gaat sterven. Waarom dus die ontelbare stroom geweldige boeken, waarom juist meer geweldige boeken met dit perspectief en niet minder? Dat is een wezenlijk filosofische vraag. Het heeft denk te maken met de pijn van het gebrek aan toezicht. Op zijn Hollands gezegd: als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel. Tijdsbesef en toekomst functioneren namelijk wezenlijk als een vorm van justitie – de tijd gaat recht doen aan de dingen. Ontbreekt die tijd en die toekomst, dan heeft het ook geen zin meer angst te koesteren voor een toekomstig oordeel, waarin denkbeeldige experts jou beoordelen. Alle remmen kunnen dus los. Dit is een wezenlijk heel ander fenomeen dan doodsangst – uit doodsangst ga je geen eindeloze reeks geweldige boeken fabriceren. Dat doe je omdat je denkt hiermee weg te kunnen komen.

En zeer waarschijnlijk is dat ook het geval. Dus als er onverhoopt nieuwe Gorters nieuwe Larsjes zitten verdrukken, dan zal niemand daar ook maar iets van merken, want een policerende toekomst ontbreekt. Voor veel mensen is dat juist een heel aangenaam perspectief – een alleenheerser, bijvoorbeeld, kan elke vorm van toekomst missen als kiespijn. En geen toekomst is natuurlijk ook punkrock!

De kus die ik je had beloofd
Het is raar, het is fijn,
mijn piemel gaat erin en eruit
In haar warme poesje
Hoe sneller ik op en neer ga
Des te harder haar gekreun
Hoe zwaarder mijn gehijg
Des te meer tintelingen ik krijg
Tot de gedacht van klaarkomen
Mij niet meer ontschiet
Het warme goedje
De zoete slagroom
spuit ik over haar strakke billen
terwijl het maanlicht
het vocht rond haar schaamlippen
Doet glinsteren.
Wat een prachtig aangezicht.

Zag iemand ooit de mannelijke geslachtsdaad begrijpelijker samengevat? Zelfs een hermetisch maantje op het einde mocht niet ontbreken. Maar er is ook nog een ander aspect dat een rol speelt bij de overproductie: de zogenaamd hedonistische ‘bucketlist’, dat moet je ook nog meegemaakt hebben, een boekje publiceren. Het boek als visitekaartje. Ik denk dat 80% van de bundels die worden uitgegeven op enigerlei manier in die categorie weet vallen.

 

Zo’n visitekaartje is deze bundel niet. Het is eerder de Bachversie van Ingmar Heytze, die op zichzelf weer de Bachversie van Mark Strand is. En zo krijg je richting toekomst een eindeloze reeks verbeterde versies, en zijn we met Maurits Verhoef denk ik aan het grootste poppetje in de reeks matruschka’s belandt, want beter kan simpelweg niet meer, ik zou niet weten hoe. En dat is dan de negatieve noot in deze gloedvolle recensie. Het kan niet beter, we zijn aan het laatste station. Doorlopen maar en genieten geblazen.

 

Gek genoeg is men juist in de literaire wereld altijd met cijfers bezig – net als die neoliberalen, overal dat rekenmachientje, en maar dansjes uitvoeren voor de donkerblauwe pakken, kijk, wij zijn nuttig, kijk, wij mogen bestaan! Ze hebben het zo druk met deze dansjes dat nieuwe talenten als Maurits Verhoef nauwelijks nog aandacht krijgen, en dat is natuurlijk bijzonder jammer. Vroeger speelde dit ook al en ontdekten onze verkoopcijferkanonnen om die reden het slamdichten: door de drempel flink te verhogen en allerlei onontdekte superdichters een plek te geven kon je poëzie een soort populair aura geven, de poëzie is immens populair, en ik, generatie H., ben de poortwachter naar de oude, stijve, impopulaire papieren wereld.

 

Erg succesvol als ondernemer is Heytze gelukkig niet, bezien dat hij nog steeds bij het Letterenfonds aanklopt. Zelfs als Geile Verkoopcijferhut moet je dus nog huursubsidie aanvragen. Dat kunstenaars ondernemers zijn is dan ook groteske onzin. Ze tot ondernemers pogen maken is een gigantische verkwisting van geld, energie en tijd. Maar wie denkt dat wat daar populair staat te doen niet de dichtkunst is heeft het mis.

 

Ik lach, lach en lach.
Met de gedachte.
Als ik een kind was.
Was ik volwassen.

Wat hier populair doet is poëzie die buiten het boekje gaat. Wie dat niet gelooft kan iets gaan lezen van het huidige kindsterretje van de ‘literatuurwetenschap’, Kila van der Starre, die wist ontdekken dat er ook kunstwerken buiten het museum bestaan en kunst dus verdomd populair is.

En dat weten de mensen zelf ook wel. Daarom lezen ze zelf voortdurend poëzie, vooral debuten, want dat dient een heilig doel. Dit is dan ook pure liefdespoëzie. Dit is het beste! Janita Monna gaat aan deze bundel nog een hele kluif hebben.