Share on facebook
Share on twitter
Share on pinterest
Share on whatsapp

Ferdydurke, de charlatan en de eeuwige lerarenkamer

Gesprek met een jonge dichteres over Piet Gerbrandy. Ze was met hem in de clinch gegaan, iets over een canon, die Gerbrandy uiteraard zeer noodzakelijk acht, want zonder canon raakt hij zelf vergeten en heeft hij vijftig jaar lang voor niets boeken zitten pennen. ‘Zonder canon weten we niet meer wat goed of slecht is’ zo was naar verluidt zijn standpunt, en een mailtje van Piet heugde me waarin hij Lampe een charlatan noemde, en ach dan kan ik Gerbrandy die walrus van de binnenlandse veiligheidsdienst noemen waar ze een circusdirecteur-snor op hebben geplakt, en dan wordt het toch nog gezellig, maar goed de een maakt de ander voor charlatan uit, en er moet een ‘canon’ zijn, een soort schoolse sturing, wat me dan weer Ferdydurke terug in trekt, die alomvattende allegorie van Gombrovicz over de maatschappij en de literatuur als het paradijs voor schoolfrikken en zijn afrekening met het befaamde Bildungsideaal.

Gerbrandy – voor het betere schoolopstel. Ik heb alle essayisten gelezen die Nederland rijk is, en op literair vlak vond ik eigenlijk alleen Polet goed en oprecht – Gerbrandy is schools, tamelijk saai, er kleven allerlei conventies aan bijna alles wat hij doet – en dan nog is hij een beter essayist dan Tonnus Oosterhoff, dat vind ik alleen maar een kletsmajoor, chatboxen met een kaft erom, de slechte leerling van Gerbrandy, de alles-sussende vader. Natuurlijk, Gerbrandy besprak braaf al mijn bundels, en Nachtefteling beviel hem het best en als ik de recensies goed weet duiden Krakschaap juist het minst, want ‘daarin ging ik te ver’, de veiligheidsdienst komt in actie(1), het moet wel binnen de maat blijven, en zo roepen de schoolbankjes weer, maar goed ik heb dus niet zo heel veel met die Goede Herders van de Canon op, mijn onrijpheid speelt me dan parten, zo zou Gombrovicz het stellen.

De allesbevrijdende lach – dat is wat ik vooral zoek in de literatuur. Natuurlijk, je hebt ook de tegenpool, de allesdoordringende droefenis, meer het terrein van Schulz zou ik zeggen, en ook een loofwaardig streven. Maar als ik vergelijk hoe vaak ik lach als ik goede literatuur lees, en hoe ik dan lach – nog belangrijker – en dat vergelijk met de televisie – zelfs bij de beste televisieseries is de lach minder allesbevrijdend en veel schaarser. En die beste series zijn een speld in de hooiberg. Geen vergelijk, dus, en verslingerd zijn aan de buis is om die reden niet erg logisch.

Maar hoe bizar is dat idee precies, dat je zonder een soort schoolse sturing niet langer kunt zeggen wat goed of slecht zou zijn? Dat de Man van de Letteren ondergeschikt zou moeten zijn aan een soort pedagogie? Die mag je wel lezen, en die niet, en zonder die sturing ben jij niet in staat onderscheid te maken. Het doet, inderdaad, denken aan de logica die Gombo in Ferdydurke etaleert: Hij is een groot dichter, want we raken van hem in vervoering, en we raken van hem in vervoering omdat hij een groot dichter is.

(1): en ‘Godface’, die ik op het weblog van de Honingzaag besprak, benoemt ie dan weer als een van zijn favoriete bundels van het jaar – ik kan daar alleen uit opmaken dat er iets aan de man schort, dat de canon zijn hoofd wist overnemen(2), zoals de snor een staatsgreep wist plegen op zijn gezicht.

(2) De lerarenkamer(3) vond het goed. Een soort canon-corona, er schuilt iets volslagen willekeurigs in, de man heeft eigenlijk geen eigen oordelen meer.

(3) Dezelfde lerarenkamer die hij toespreekt in de eerste recensie die hij over me in de Groene schreef: ‘Benders hoort erbij…’ – wie anders spreekt hij daar toe? Ik mag erbij horen!

Vanuit het perspectief van de lerarenkamer is echter natuurlijk Gerbrandy zelf hier natuurlijk de ontregelfrik. Beeld je die lerarenkamer eens in, vol roodaangelopen schoolfrikken, Benders moet weg! Benders, een onvoldoende! Benders, nooit van gehoord! En dan moet je zo iemand bespreken, en spreek je die lerarenkamer met enige autoriteit toe: nee, waarde collega’s, Benders hoort er gewoon bij! Hij gedraagt zich niet als het hoort, maar schrijft prachtige gedichten. En daarom pleit ik, Piet, voor erbijhoren. Dat is een ander soort horen. Je hebt dichters zoals-het-hoort, de prijspaardjes, en je hebt de erbij-hoorders.

Nu was dat natuurlijk altijd al mijn ideaal, erbij mogen horen. Ik ontving Aartsontregelvader Gerbrandy’s absolutie met grote dankbaarheid. Die willekeur echter, de volslagen randomness van de oordelen, en dat iemand slechts pretendeert een eigen mening te hebben maar feitelijk een soort beleid van de lerarenkamer zit uit te venten – nee, dat billijken gaat me dan weer een stap te ver.

Maar de schoolse sturing vereist een lerarenkamer – zonder lerarenkamer geen sturing. En dus heeft iemand die serieus in deze onzin gelooft geen enkele keuze: niet de eigen smaak dient voorop te staan, maar de keuzes en de stemming binnen die lerarenkamer.

Allemaal goed en wel – maar met de toenemende ontlezing zie je dat die keuzes van de verzamelde schoolfrikken zelf ook steeds minder gebaseerd zijn op het lezen van boeken. Er sluipt, ook onder invloed van de leraar-met-het-scheve-petje, de smaakmaker, die figuur die zo goed kan duiden wat onder jongeren leeft – och, de hele kamer zucht en kreunt onder een myriade van malloten die eigenlijk zelf nauwelijks nog lezen, en zo sluipt meer en meer de volstrekte willekeurigheid de pedagogie binnen.

Juist die willekeurigheid stoort mij vaak – waarom wordt de ene bundel overal de hemel in geprezen, en krijgt de andere bundel geen aandacht? Waar is die teneur op gebaseerd? Een of andere belangrijk geachte schoolfrik begon erover te papegaaien. Dat is toch een vorm van onrecht? Zeker als altijd en immer maar de argumentatie ontbreekt.

En die argumentatie ontbreekt per definitie, want in het huidige recensie-bestel doet men niets dan een bundel met zichzelf vergelijken. Deze bundel is goed ten opzichte van zichzelf.

De enige recensent die met deze vreemde traditie breekt is Arjan Peters, die nu juist steeds wel twee bundels met elkaar vergelijkt, tot vaak groot ongenoegen van de slachtoffers van de vergelijking. Maar de hamvraag is hier: is deze vergelijking wezenlijk onrechtvaardiger dan de methodiek een bundel enkel en alleen met zichzelf te vergelijken, en het antwoord op die vraag is natuurlijk nee, het is veel te primitief wat Peters hier doet, maar het is niet wezenlijk onrechtvaardiger als methode.

Toch schuilt ook in zijn werkwijze veel willekeur en onrecht. Ik las bijvoorbeeld de debuutbundel van Levina van Winden, en die bundel werd in de Volkskrant door Peters afgeserveerd door enkele zogenaamd onnozele vragen uit de bundel op te voeren. Ik heb de bundel toen aangeschaft, en wat ik aantrof is helemaal geen onnozele bundel, maar een bundel met filosofische inslag, scherp, vol met galgenhumor, eigenlijk een tamelijk volwassen bundel, waar wel degelijk diepere lagen in zitten.

Als dichter valt me op dat Levina van Winden her en der stukken schrijft die heel erg raak zijn, en dat enkele gedichten in de bundel gewoon behoorlijk goed zijn. Als filosoof valt het me op dat ze in de twee ‘Nietzsche’ gedichten op vrij subtiele wijze aspecten van Nietzsche’s werk weet stoppen, zo lees je in ‘HOE IK NIETZSCHE AAN MIJN VRIENDEN UITLEG’ de filosofie van het dionysische JA terug, de persoon die alles beaamt en zich overal instort. En in het andere gedicht HOE IK NIETZSCHE AAN MIJN OUDERS UITLEG zie ik dan weer hoe op sardonische wijze die ewige wiederkehr des gleichens als familie opduikt,

rond gekookte worteltjes uit de magnetron
die wegrollen onder mijn vork

(en later)

Is er een etymologische verwantschap tussen leed en ledig?

Nee, Peters, dit valt niet te verkopen als een onnozele vraag. Hier wordt iemand het slachtoffer van een veel te oppervlakkig format. Van Winden’s bundel heeft een van de beste openingszinnen die ik tot dusverre in een bundel las:

Michelangelo bevrijdde David uit een afgedankt blok marmer.
Dat geeft moed.

Scherp, en zeker niet onnozel.

Van Winden schrijft helder – uiteraard gaat hier en daar de bundel mank onder wat beginnersellende, maar daar moet een recensent overheen weten kijken, het gaat erom of iemand in essentie heeft wat nodig is om ooit tot een meesterwerk te kunnen komen, en dat zie ik hier zeker wel: intelligentie, scherpheid, filosofische aanleg en levenservaring.

Dat in alle willekeurigheid afserveren als enkel iets onnozels is kwaadaardig, zeker als het regelmatig gepaard gaat met iets juist wel volstrekt onnozels ongebreideld de hemel in prijzen. Peters is de leraar die eeuwig met ziekteverlof is, maar wiens ansichtkaartjes in de lerarenkamer nog steeds met interesse worden gelezen. He’s the one that got away.

Zelf zou ik nooit iemand een charlatan noemen – ik kan er een mening op nahouden over de kwaliteit van iemands huidige gedichten, maar dat is iets heel anders dan de hele persoon als een bedrieger afserveren – dat deugt niet, omdat je dan pretendeert dat niet langer relevant is waar je de lat legt. Ik noem maar wat – als Milosz bijvoorbeeld als referentiekader dient als wat een ‘echte dichter’ moet zijn heeft Nederland geen enkele dichter die in de buurt komt, en zijn het dus per definitie allemaal charlatans. De praktijk anderen zo te bestempelen impliceert dat de lat op een bepaalde plek ligt, maar bij nader onderzoek blijkt er dan vaak helemaal geen lat te bestaan, maar enkel latte, in de plastic koffiebekertjes van een slaperige lerarenkamer.

In deze filocensie besproken links:

1. Gerbrandy laat de lerarenkamer weten dat ik erbij hoor: Link
2. Arjan Peters fakkelt van Winden af: Link

Visits: 593

Een wat mij betreft urgent onderwerp: de zorgtaak die de overheid heeft wat betreft standbeelden. De afgelopen tijd wordt helder dat het omtrekken van standbeelden

Lees meer >>

Gesprek met een jonge dichteres over Piet Gerbrandy. Ze was met hem in de clinch gegaan, iets over een canon, die Gerbrandy uiteraard zeer noodzakelijk

Lees meer >>

Op Meander een recensie van de nieuwe bundel van Maarten van der Graaff, ‘Nederland in Stukken’, nadat deze al door evangelist Schaaper in de Groene

Lees meer >>

Een goed persoon bewandelt de weg die slechte personen voor hem plaveien.

Lees meer >>