Share on facebook
Share on twitter
Share on pinterest
Share on whatsapp

Een lang gezicht in de bling.

Tjechov’s verhaal ‘Het Huis met de Loggia’ gaat eigenlijk over Bullshit Jobs, een term die we kennen van de anarchist-antropoloog David Greaber. Maar ook in 1880 bestond het fenomeen dus al, en hoewel de marxist Samuel Vriezen me op facebook poogde overtuigen dat de BS job per definitie een baan is die de bezitter van die baan als nutteloos ervaart (een wezenlijk therapeutische definitie: alles is van zelf-evaluatie afhankelijk en alles is even nuttig als een mening) – nee, in ‘Het Huis met de Loggia’ krijgen we een lange tirade van een landschapsschilder te lezen tegen ‘apotheekjes en bibliotheekjes’ en laat onze kunstvriend weten dat de missie ‘te leren lezen en schrijven’ volslagen zinloos is. Dat klinkt als een bizar standpunt, maar is het niet: Tjechov weet het met zoveel verve op papier te krijgen dat je al lezend met de vuist zit mee te schudden. Dood aan alle missionarissen!

Nee, het probleem gaat veel dieper dan het zelfbeeld van de mens. Over dat zelfbeeld gesproken, ik las ‘Godface’ van Asha Karami, een debuutbundel die in 2019 het licht zag, en zoals het een dichter van haar generatie (de millenials) betaamt staat de hele bundel vol zelfbeelden, zelfbeklag, veel ik ik ik ik ik en vlakke taal.

Zo’n bundel valt eigenlijk alleen middels absenties te definiëren. Er is geen bijzonder taalgebruik, geen liefde voor taal, ja, je hebt eerder het idee dat de taal als een enorme last wordt ervaren, er zijn geen krachtige metaforen, het zijn allemaal tamelijk oppervlakkige anekdotes maar zonder conceptuele kop of staart, bijna alles voelt als een slogan aan – dus ja, weer zo’n bundel geschreven met een slampubliek in het achterhoofd. Presenteer jezelf op papier!

Meest typisch is misschien nog wel de vormgeving. Op de mooie omslag trekt Onze Lieve Heer een lang gezicht in de Bling. Maar sla het boek open en de zorgzaamheid verdwijnt: een mishandelde bladspiegel, waarbij alle gedichten tegen de bovenrand van het boek zijn aangezet, een titel in een andere fontsoort dan het gedicht, een lelijk platgedrukt font. Deze gedichten hebben duidelijk last van het plafond.

Natuurlijk, natuurlijk, allemaal ‘bewuste keuzes’, alsof keuzes er interessanter op worden als je ze bewust maakt. Kom je weer bij die baantjes uit – die worden zinvoller naarmate de bezitter ze als zinvol weet ervaren, zo leren we dus van Vriezen.

Zelfhypnose moet dus de norm worden.

Soms vraag ik me af of een basisinkomen ons niet een berg slechte boeken zou besparen. Want waarom zou je al dat milieuonvriendelijke gehannes met een podium en een publiek moeten handhaven als je je inkomen toch al gewoon op rekening krijgt? En waarom dan al die haast om een lang gezicht in de bling te kunnen trekken, waarom dat verschrikkelijke plafond, nee mijn hemel, genees al die mensen van deze obsessies. We gaan gewoon weer als vanouds na het dertigste levensjaar debuteren na een decennium ploegen op papier in plaats van ploegen op een podium. Dat is, en alle geklaag staat me hierin bij, namelijk niet eens echt leuker.

Wat filosofisch dan wellicht interessant is is de vraag waarom de recensies die ik las van deze bundel het steeds over ontregelende poëzie hebben. Wat is er dan precies ontregelend aan? Een dijk van een cliché, natuurlijk, dat te pas en te onpas in recensies wordt gebruikt – maar wat bedoelt zo’n recensent ermee? Daar kan ik namelijk met mijn hoofd niet bij.

Zo’n beetje de enige ontregeling die ik wist ervaren bij het lezen van de bundel was de mededeling dat de dichteres te grote schaamlippen heeft om te kunnen fietsen, en dat stukje human interest deed me denken aan de uit zwang geraakte ovale omazadeltjes, die je tegenwoordig nauwelijks meer ziet. Maar is dat dan echt die fameuze ontregeling? Of had ik ergens van iets in de war moeten raken?

Want veel in de bundel leest als de poëzie van een vijftienjarig meisje:

mijn ouders begrijpen me niet
ze willen dat ik carrière maak
dat mijn toekomst ervan afhangt


Maar dan bedenk je je dat de persoon die dit schreef al in de dertig loopt. En dan bedenk je je dat jongeren tegenwoordig vaak noodgedwongen heel erg lang thuis moeten wonen, en dat dat zijn weerslag zal hebben op de poëzie die ze schrijven, maar niet in positieve zin.

Zelf was ik al op mijn zestiende het huis uit. En ik leerde de waarde van zelfhypnose kennen toen de man naast me aan de lopende band na dagen doosjes in doosjes proppen zei ‘Leuk werk is dit, he?’. Hij stond daar al dertig jaar. Zinvol werk, want hij had geleerd dat zelfhypnose helpt.

Ik heb niet veel op met mensen die dat tot norm willen verheffen.

(Tot zoverre de filosofische recensie – wie vindt dat ik te weinig uit de bundel citeer, nou vooruit, maar het is allemaal beetje van hetzelfde laken een pak, dit soort werk:

bijna iedereen en alles in dit land is dood
ik moet bloemen halen voor de doden
loop lange afstanden door verlaten gebieden
er is nog één plek ver weg waar bloemen zijn
loop langs een ruine
iemand woont daar
hij vertelt me dat in zijn dorp ook bijna niemand meer leeft
en waar ik bloemen kan vinden


Een anekdote, maar geen interessante anekdote. Een bloedeloze beschrijving die waarschijnlijk tot stand kwam door het kijken naar The Walking Dead, want wie aandoenlijke oorlogspoëzie wil lezen grijpt beter naar Jaroslav Seifert of Goran Simic – of desnoods naar Ton van ‘t Hof, die in de Gaia reeks een mooi nieuw bundeltje schreef.

Visits: 135

Gesprek met een jonge dichteres over Piet Gerbrandy. Ze was met hem in de clinch gegaan, iets over een canon, die Gerbrandy uiteraard zeer noodzakelijk

Lees meer >>

Op Meander een recensie van de nieuwe bundel van Maarten van der Graaff, ‘Nederland in Stukken’, nadat deze al door evangelist Schaaper in de Groene

Lees meer >>

Een goed persoon bewandelt de weg die slechte personen voor hem plaveien.

Lees meer >>

Woke zijn in de kunst. Woke zijn in de kunst? Ja, Woke zijn in de kunst. Dat was het thema van de eerste aflevering van

Lees meer >>