Share on facebook
Share on twitter
Share on pinterest
Share on whatsapp

Andrea, je studeerde onder meer bio-ethiek. Ook zeg je tegen de verzorgingsstaat te zijn. Maar is de hele samenleving geen verzorgingsstaat geworden, nu de geldpers eeuwig aanstaat, en zal de toenemende automatisering, die steeds meer mensen richting een ‘creatief’ beroep zal dwingen, niet tot fascisme leiden zonder een vorm van verzorgingsstaat?

A: Ik studeerde inderdaad bio-ethiek, al bleek dat een grote vergissing te zijn, aangezien het vakgebied vooral bestaat uit het nadenken over details en het assisteren bij het maken van ‘beleid’. Beetje hetzelfde probleem waar ik later bij ‘kwaliteitsmedia’ tegenaan liep, namelijk dat je al in verregaande mate akkoord moet zijn met de huidige samenlevingsstructuur voordat je überhaupt kunt functioneren als ‘journalist’. Alle artikelen moeten eindigen met de punchline ‘en dit is hoe de politiek het moet oplossen’, of soms gewoon ‘de politiek moet hier iets aan doen’ en daarmee eindigt de individuele verantwoordelijkheid tot nadenken over zaken voor de journalist en de bio-ethicus. 

Mijn gevoel in beide situaties was te zijn omringd door een onoverzichtelijk netwerk van leidingen die aan alle kanten lek waren door slechte fundering en haastige fixes, terwijl de enige toelaatbare focus was het filosoferen over de verschillende manieren waarop duct tape kan worden toegepast op een enkel lek. Beginnen over de leidingen zelf of de funderingen bleek voor docenten en studenten ondenkbaar. Op karakteristieke wijze heb ik veel meer vakken gevolgd dan ‘nodig’ was, en was het resultaat een allegaartje van alle dingen die ik interessant vond. 

Dit was uiteraard een groot probleem voor de accreditatie en de laatste stap op weg naar mijn masterdiploma was het schrijven van een brief aan de examencommissie om uiteen te zetten waarom al deze vakken samen een masterdiploma rechtvaardigen. Dit was het moment waarop de bureaucratie mij teveel werd en ik afhaakte zonder masterdiploma.

Dat was ook het moment waarop ik mij voornam nooit meer iets te doen waarvan ik het nut niet inzie of waar ik geen plezier aan beleef. 

Automatisering, het nieuwe spook op de weg van de technologische ontwikkeling. ‘Een knik in de pijplijn, alle roeren om, nieuwe fixes voor problemen die nog denkbeeldig zijn. Je kunt niet vroeg genoeg beginnen met regelgeving om alle denkbare problemen voor te zijn!’ Het probleem is natuurlijk dat gevolgen van technologische ontwikkelingen onoverzichtelijk zijn, zelfs ondenkbaar, en dat het proberen te voorkomen van denkbeeldige problemen via regelgeving leidt tot het ontstaan van zeer reële problemen.

De typische uitwerking van beleid. De enige regel van individualisme van het soort dat ik aanhang, is dat geen enkel individu of groepje individuen kan voorzien hoe zijn eigen handelingen gaan uitpakken in het grotere geheel. Individualisme is anti-rationalistisch. Mensen vragen mij soms, als ze horen dat ik libertair of individualistisch of willekeurig welke andere term ben, wat ik zou doen als ik ‘de baas van de wereld ben’, waarmee ze illustreren werkelijk niet buiten de huidige samenlevingsstructuur te kunnen denken. Dat is meestal mijn sein dat het zinloos is nog verder te communiceren.

M: Een systeem-sofist zou hier opmerken dat ‘iedereen beweert buiten het systeem te staan’ – ik had daar laatst nog een discussie over, over hoe in toenemende mate de identiteit met de werkelijkheid wordt verward – om terug te komen op die bio-ethiek, een van de meest prangende voorbeelden die ik ken van de moderne ziekte geen verbanden meer te kunnen ontwaren is wel dat men kampt met een grote epidemie van verslavingen aan pijnstillers maar men dat schijnbaar niet weet terug te koppelen naar de gebruikte methode om pijn vast te stellen: hoeveel pijn heeft u, op een schaal van 1 tot 10? De eigen identificatie heeft dus de medische werkelijkheid vervangen – dat een verslavingsgevoelig persoon altijd veel pijn heeft en een flink ventje nooit doet schijnbaar niet meer ter zake.

Ik deel je bevindingen over het onderwijs, misschien is het enige verschil dat ik al veel eerder de pijp aan Maarten gaf. Mijn moeder poogde me te overtuigen dat ik ‘journalistiek’ moest gaan studeren omdat ik het over politiek had en graag lastige vragen stelde. Gelukkig maar dat ik destijds al afdoende inzicht in de zinloosheid van zo’n onderneming had, een leven vol frustratie is me gespaard gebleven. 

Toch zie ik misschien juist daar een dissonantie met jouw gedachtegoed – immers, ik wist wel degelijk op die leeftijd te voorspellen dat die onderneming niet op een prettige manier zou uitpakken.

Is het voorspellen van een uitkomst niet eigenlijk bij uitstek de kernwaarde van het kunstenaarschap? Want ik moet bijvoorbeeld als dichter toch enigszins weten te voorspellen wat voor effect een tekst op een lezer zal hebben. Zou ik het standpunt innemen dat ik dat oprecht met geen mogelijkheid kan voorspellen dan ontfutsel je eigenlijk de magie aan de taal – zodra het zinloos wordt het effect van een streek verf te voorspellen kun je denk ik geen enkele voorstelling meer schilderen.

Dat neemt niet weg dat je natuurlijk gelijk hebt dat simpele oplossingen complexe problemen doorgaans alleen verergeren. Je ziet dat momenteel heel goed op het gebied van dat ‘milieubeleid’. Iedereen van het gas af en in plaats daarvan in vet gesubsidieerde centrales de bossen opstoken. Ik vraag me dan oprecht af of de wereld niet in de houdgreep van een soort hersenziekte verkeert. Die gedachte is minder ludiek dan je zou willen denken – de hersenverschuiving die plaats wist te vinden van een talige opmaak richting de visuele cortex leverde een nog veel schaapachtiger menstype op, die totaal niet meer in staat lijkt om – inderdaad – welke relatief eenvoudige voorspelling dan ook met enige trefzekerheid te maken.

Een systeem-sofist zou hier opmerken dat ‘iedereen beweert buiten het systeem te staan’

A: Haha, helemaal juist. Alleen bleef ik altijd hinken op twee gedachten: mijn intense afkeer van onderwijsstructuren en de content van de meeste curricula enerzijds en het idee dat dat een gebrek aan mij was dat ik eigenlijk zou moeten verbeteren anderzijds. Dat is sowieso het probleem als ik ergens aantreed, altijd kortstondig, en steeds harder moet vechten tegen mijn eigen walging van de situatie totdat het werkelijk niet meer gaat en ik moet kiezen tussen buigen of barsten. Nu weet ik dat, wat het probleem ook is, met mij of met de rest, ik niet in staat ben tot buigen en ik het ook niet moet proberen. Wat daarvan de consequentie moet zijn, is een ander verhaal. Ik ben niet iemand die vindt dat mijn inzichten universeel waardevol zijn, of dat ik gelijk heb. De kans dat ik ongelijk heb is 100 procent, maar dat geldt voor iedereen anders net zo. 

Het voorspellen van een uitkomst is onmogelijk. Wellicht weet ik ongeveer hoe mijn publiek zal reageren op een grap (meestal niet), maar wat er later mee gebeurt en wie er wat in ziet, ligt echt buiten mijn bereik. Meestal blijkt tijdens een lezing dat iets waarvan ik dacht dat het triviaal was, juist een erg vreemde denkstap is, en begrijp ik echt niet waar iemand het over heeft als hij een willekeurige term gebruikt die nu populair is. De taal zelf is de horde waar de meeste communicatie niet voorbij komt. De enige manier waarop ik mezelf zou kunnen overhalen om iets op papier te zetten, zoals nu, is als ik mezelf ervan overtuig dat het entertainment is. Dat lezers er geen snars mee opschieten is bijna zeker, waarom zou dat op papier ineens anders zijn dan een op een, maar als het leuk is om te doen, is het beter dan anime kijken of in bed blijven liggen. Maar heel ver boven die dingen zit het niet, anders zou ik vaker schrijven en minder vaak in bed liggen.

Misschien zoek ik naar problemen (het traditionele verwijt van leraren en mijn ouders), maar misschien zijn er ook gewoon problemen (mijn positie) die moeten worden opgelost voordat ik het gevoel heb iets te doen dat meer is dan mezelf amuseren. Een van die dingen is de betekenis van de  woorden die ik gebruik. Zonder in het bodemloze konijnenhol te vallen van betekenis überhaupt (waarom zijn alleen de ‘moeilijke’ woorden ambigu terwijl filosofisch gezien alle woorden…aaargh, schei uit!) moet ik iets met het feit dat de woorden die ik behandel radicaal van betekenis veranderen doorheen de tijd. Liberalisme, individualisme, solidariteit, woorden die het tegenovergestelde zijn gaan betekenen van hoe ze ooit gebruikt werden. Er zit niets anders op dan daar te beginnen, anders blijft het aan mij knagen en kom ik nooit tot de daad van het schrijven van mijn eigen filosofie over die dingen. Eerst moet ik vechten tegen wat die dingen betekenen in het hoofd van de ander, niet om zijn gedachten te veranderen, maar om duidelijk te maken waar die van mij staan in de
ideeëngeschiedenis.

Mijn werkhypothese is dat woorden die populair worden (=politiek rendabel zijn) zullen worden gekaapt door de tegenpartij. Het is namelijk eenvoudiger om een woord te stelen dan een nieuw woord te bedenken. Socialisme, solidariteit, individualisme, vrijheid (brr, laten we het niet hebben over vrijheid) allemaal woorden die populair waren en die jan en alleman gingen gebruiken voor filosofisch tegengestelde dingen. Die  betekenissen bestaan nog steeds door elkaar heen waardoor je dezelfde woorden gebruikt en het toch over tegengestelde zaken hebt zonder dat je begrijpt waarom iedereen langs elkaar heen lult en nooit nader komt tot een oplossing. Iedereen die een boek schrijft van enige filosofische ambitie moet eerst de kernbegrippen (‘maar ieder woord is interpretabel op 219 verschillende…’ achter mij, mathematische logica!) definiëren en verhelderen waar ze verschillen van de gebruiksgeschiedenis en waarom. Maar hoe overtuig ik mezelf ervan dat dat entertainment is?

M: Eigenlijk komen we nu weer op hetzelfde punt uit: hoe kun je weten wat een ander met een woord bedoelt? Je kunt natuurlijk de positie innemen dat het onmogelijk te weten is, maar dan wordt schrijven ook een onmogelijke zaak. Er is dus, lijkt me, wel degelijk een voorspelbare dimensie aan de werkelijkheid, ook als dat een complexe werkelijkheid is. Het zou ook allemaal weinig amusant zijn als er werkelijk niets te voorspellen zou zijn. De kunst te voorspellen wat een ander bedoelt lijkt me dus een van de kernwaardes van het schrijven, erop anticiperen een van de kernwaardes van een sofist. 

Het fenomeen dat je hier benoemt – dat begrippen door de tegenpartij worden ‘gekaapt’ – doet me denken aan de Sloveense kunstpopgroep Laibach, die autoriteit willen ondermijnen door deze te spiegelen. Dat is een effectieve strategie – zou je een Geert Wilders of een Thierry Baudet echt effectief onklaar willen maken, dan moet je de kamer vullen met Wildersklonen en Baudetklonen, niet het fatsoenlijke alternatief spelen. Maar dat zou een humor vergen die op links traditioneel zo goed als afwezig is, en het grotere probleem is wellicht dat dit allang is wat er gaande is, een discours dat steeds maar op een bizarre wijze door vogelverschrikkers wordt bepaald, we leven in een trollocratie. Ik vrees dat dat sterk verband houdt met de eerder door mij genoemde hersenziekte – zodra het intellectualisme op de hersenen zelf geen vat meer heeft, en alles wordt aangestuurd door de visuele cortex ontaardt alles uiteindelijk in een soort hyperclownerie.

Je voelt steeds sterker dat we in een soort omgekeerde wereld leven, een wereld waarin niet de kunstenaar de beroemdheid meer is maar de curator. Waarin de beroemdheden zijn vervangen door politici, en die politici zich als popsterren gedragen. Kun je het zo’n Baudet wezenlijk kwalijk nemen dat hij voor de politiek koos, want dat is de enige manier tegenwoordig om nog echt beroemd te kunnen worden. Zelfs op mijn eigen piepkleine vakgebiedje, de poëzie, zijn de representanten die politiek wenselijk blijken op zijn best een soort clowns. Nietzsche schreef ooit dat zodra hij bespeurt dat iemand alleen theater speelt ten opzichte van zichzelf zijn kunstenaarschap hem niets meer waard is – een toneelstukje, opgevoerd door een cynische pias.

Om dit weer terug te koppelen naar wat jij schreef – ik denk niet dat het een kwestie is van ‘begrippen helder definiëren’. Dat is veel en veel te optimistisch, Andrea. Dan ga je eigenlijk al uit van een oude wereld, eentje die allang niet meer bestaat. Alleen een filosoof die de clown speelt – een Žižek – zou tegenwoordig kans maken, maar ook hem waren de media snel beu toen bleek dat hij teveel uit zijn rol viel.

A: Er zitten een paar dimensies aan mijn probleem met taal, die niet allemaal goed naar voren komen (o, recursie!). Op individueel niveau worstel ik met het probleem dat woorden een geschiedenis hebben die ik niet zelf heb ontworpen, en ik dus iets moet met het broddelwerk van de mensen die mij in dat gebruik zijn voorgegaan. Meestal (eigenlijk in alle gevallen die er voor mijn filosofie toe doen) is dat gebruik voor mij volstrekt pervers en tegenintuïtief, terwijl het voor de meeste mensen die een woord horen niet duidelijk is dat ik het op een manier gebruik die is tegenovergesteld aan hun idee ervan. Een idee dat niet onredelijk is, want wie gaat er na bij ieder woord wat het ooit heeft betekend en welke van die betekenissen ik hanteer? Men denkt bij ‘individualisme’ gewoon aan de Groene Amsterdammer en denkt ‘bah, doorgeslagen individualisme, grootkapitaal!’ en denkt verder helemaal niet hoe tendentieus en oppervlakkig die lezing is.

Als ik de ambitie heb om mijn gedachten op papier te zetten, ontkom ik er niet aan om dat expliciet te benoemen. Niet alleen met het oog op de toekomst, – en als je alleen al kijkt hoeveel ellende er ontstaat doordat mensen in het nu proberen te interpreteren wat mensen in het toen hebben bedoeld begrijp je misschien 10% van het eigenlijke taalprobleem; namelijk dat die bedoeling om mee te beginnen al nooit duidelijk is – maar met het oog op enige conceptuele zuiverheid. Waarom zou ik anders iets toevertrouwen aan het papier, terwijl het net zo goed in mijn hoofd kan blijven als ik niet geïnteresseerd ben in communicatie met anderen, nu en in de toekomst? Een van de redenen dat dat boek er maar niet komt is dat ik niet werkelijk geloof dat communicatie mogelijk is. Mijn ervaring met anderen is in dat opzicht volkomen helder.

Het grotere probleem dan mijn oninteressante geklaag over waarom ik onbegrepen en onbemind ben door de buitenwereld, is dat je tot op zekere hoogte zorgvuldig kunt zijn met je woorden en kunt anticiperen op anderen, en zodoende nog enige controle kunt uitoefenen, hoe marginaal ook. Wat politici en, veel kwalijker, politiek filosofen proberen te doen is daarentegen onmogelijk en zelfs per definitie schadelijk. Zij proberen de werkelijkheid te buigen naar hun eigen agenda en idealen door de manieren waarop individuen zich kunnen uiten in de wereld te beperken. Als je pas bij Wilders en Baudet aan de bel trekt heb je al een clownspak aan zonder dat je het zelf door hebt. Wij worden allemaal tot clown gemaakt door het bestaan van een representatieve democratie die nooit werkelijk – filosofisch of praktisch – representatief is terwijl we wel worden geacht deze onwaarheid te blijven verkondigen aan onszelf en anderen.

Zelfs geconfronteerd met de feiten, namelijk de politiek-filosofische grondteksten die de basis vormen van ‘onze’ grondwet, rechtsstaat en democratie, weigert het brein van een gesocialiseerd persoon te zien wat een hoop stront het in feite is. Wat een tranendal van metafysische goocheltrucs en religieuze sentimentaliteit. In plaats daarvan krijgen studenten filosofie die teksten onder ogen en zijn dan al zover geïndoctrineerd dat ze reageren als een artificial in Westworld die naar bewijs van zijn eigen kunstmatigheid kijkt en zegt; ‘doesn’t look like anything to me’.

Rousseau was een manische malloot, Rawls een schandvlek op Kant, en Kant is zelf ook een schandvlek op Kant die uit angst voor zijn eigen creatie, het categorisch imperatief, de rest van zijn politieke werk ging haarkloven over wanneer het toelaatbaar is voor de overheid om belasting te heffen en andere narrenklussen die beneden zijn waardigheid hadden moeten zijn. Zelfs zo’n genie kon de gevolgen van zijn eigen creatie niet zonder meer laten bestaan en moest het met geweld laten ‘passen’ in het arbitrair toelaatbare. Welke hoop is er voor de clowns die denken dat er pas een probleem is als er iemand in ‘de Kamer’ zit waar ze het niet mee eens zijn? Geen enkele. Uiteraard denken zij dat ik de clown ben, omdat ik weiger te werken als onvrijwilliger in het circus van het engagement: individuen die zich alleen druk maken om wat er op het NOS-journaal komt. ‘Zeg ons wat er nu een moreel probleem is en wij zullen er allemaal tegelijk stampij over maken, want actueel!’

In dat opzicht ben ik wel jaloers op mensen die geen probleem zien in de fundamenten van de samenleving en gewoon willen klagen over zwarte piet of linkse indoctrinatie in het onderwijs, of iets anders onnozels. Als ik alles voor zoete koek slikte wat ik tijdens mijn socialisatie op de basisschool meekreeg dan was er misschien ook niet zo’n groot probleem met mijn betekenis. Hoe kun je de gedeelde wereld verwerpen en wel verwachten dat de taal nog tot je beschikking staat? Dat is pas naïef.

M: Een soort oersoep van clown-filosofen. Het valt mij met enige regelmaat op dat de ‘grote schrijver’ als archetype vaak veel betere filosofie levert. Ik lees net twee boeken van Bataille – zijn roman is goed, helder, een soort Wolkers voor mensen met meer dan tien hersencellen. Dat is scherts, het is oneindig veel beter dan Wolkers – bij Wolkers gaat het om platte seks, bij Bataille gaat het naar mijn idee überhaupt niet over seks, de seks dient als een soort kapstok om monsterlijk vreemde poëzie mee te schrijven.

Maar in dat andere boek gaat hij ‘filosoferen’ en dan zakt meteen je broek af – mijn god, filosofie van nat karton. Maar dat is toch boeiend – schrijft hij een roman, dan is hij helder en treffend, maar gaat hij filosoferen dan verandert hij in een karakter, in een stripfiguur met vierkante tekstballonnen.

(Het zou natuurlijk kunnen dat ik een minder werkje van hem te pakken heb. Of wellicht was hij gewoon een schrijver die meende het ook als filosoof te moeten maken. Maar de grote roman is per definitie filosofisch – hetzelfde heb ik trouwens bij Camus, diens filosofische werken halen bij lange na de brille van zijn romans niet.)

Enfin, ik hou eigenlijk alleen van Schopenhauer en Nietzsche. Dat waren naar mijn idee de enige filosofen die als filosofen goed konden schrijven. Ik noem veel anderen vaak ‘gedachte-architecten’, types als Badiou, die zo’n enorme toren van lucifers bouwt, om te laten zien hoe indrukwekkend hij kan ‘denken’, maar trek een enkele lucifer weg en zijn hele bouwsel stort in. Wezenlijk is dat een vorm van architectuur, de architectuur van de verveling, misschien. Om die reden vind ik hem nogal op Kant lijken.

Ik ben stiekem allang blij dat de man geen romans schrijft. Maar dat boekje de geschiedenis van het oog van Bataille, ja, dat is werkelijk puik geschreven. Eieren uitbroeden moet ergens diep in onze genen zitten. Hoewel we natuurlijk als we Jordan Peterson moeten geloven van de kreeft afstammen, dat enge overhuiselijke insect, dat bijzonder gevoelig is voor hiërarchische oplossingen. De Poolse dichter Herbert daarentegen beweerde dan weer dat de kip zo’n lelijke gehandicapte vogel werd omdat hij dicht bij de mens ging leven. Teveel anticiperen kan dus inderdaad gevaarlijk zijn, waarde Andrea, beter in de schelp van je eigen woorden kruipen, en af en toe eens flink de wereld een kneepje geven.

Begrepen worden door malloten is geen compliment. Maar ik voel met je mee, die vreselijke woorden, die afgrijselijke mormels zonder vleugeltjes, die dicht bij de mens gingen leven om aan de vergetelheid te ontkomen. Is er dan geen enkel respijt? Hopelijk ga je me niet dwingen mijn dichterlijke antennes weer te animeren…

Mediafilosofie
Martijn Benders
Woke zijn in de kunst!

Woke zijn in de kunst. Woke zijn in de kunst? Ja, Woke zijn in de kunst. Dat was het thema van de eerste aflevering van

Read More »
Filosofische recensie
Martijn Benders
Een lang gezicht in de bling.

Nee, het probleem gaat veel dieper dan het zelfbeeld van de mens. Over dat zelfbeeld gesproken, ik las ‘Godface’ van Asha Karami, een debuutbundel die

Read More »
Briefwisseling
Martijn Benders
Briefwisseling deel 1

Andrea, je studeerde onder meer bio-ethiek. Ook zeg je tegen de verzorgingsstaat te zijn. Maar is de hele samenleving geen verzorgingsstaat geworden, nu de geldpers

Read More »
Visits: 252